Logo Molenvereniging van het Pajottenland

Inhoud

 

Laatste aanpassing
30 Oktober, 2011

Watermolen van Sint-Gertrudis-Pede

Waterrad met beekDe twee spaarvijvers van de watermolen

Volgende tekst werd opgesteld door Wies De Troch, een van de oud-molenaars van de watermolen van St.-Gertrudis-Pede. (De tekst is bijna integraal overgenomen).

Inhoud

Banmolen van het Land van Gaasbeek
De watermolen van Pede is in de gevelankers gedateed ‘1774’, maar is duidelijk ouder. De molen was ooit een van de vijf banmolens in het Land van Gaasbeek. In 1392 al werd hij vermeld in een akte; Sweder van Abcoute, Heer van Gaasbeek, kocht van Arnoul, zoon van Gielelmus van Pede, een heuvel met woningen op de top en met een watermolen aan de voet.
Volgens sommige bronnen zou Pieter Bruegel de Oude de watermolen in beeld gebracht hebben meer dan 400 jaar geleden, o.a. op de schilderijen “De terugkeer van de kudde” en “De ekster op de galg”.
De Pedemolen staakte zijn economische bedrijvigheid definitief in 1965. De laatste molenaar was Jozef Zeghers, tevens een groot duivenliefhebber.
De molensite vanaf de spaarvijversMolenaarswoning, molen, buitenlui en trap naar het waterrad en de sluizen
In 1989 werd de hele molensite aangekocht door de gemeente Dilbeek. In de loop van de daarop volgende jaren werden de 3 vijvers, het molenhuis met het rad, het woonhuis, de stal en de schuur volledig gerestaureerd.
Bakhuis met hout gestookte ovenBrandende houtgestookte bakoven
Op een veilige afstand van de gebouwen werd het bakhuis herbouwd. Een hondenmolen, die een botervat doet draaien, werd tegen de gevel van het bijgebouw geplaatst. Deze stond tot 1995 aan een boerderij in Moerbeke-Waas.
(terug naar boven)

Watermolens en windmolens
Watermolens werden bij ons voor het eerst gebouwd rond de jaren 800. Enkele eeuwen later kwamen de windmolens. Zij dienden vooral om graan te malen, maar er waren ook molens om olie te staan, om hout te zagen, om eikenschors te malen voor leerlooierijen, om papier te maken, volmolens om textiel te vervaardigen … kortom de hele economie draaide vroeger op water en wind.

Amper 200 jaar geleden, rond 1800 kenden de molens nog een echte bloeitijd. In ons land werkten er toen zo’n 3000 watermolens en evenveel windmolens. Er was één molen per 500 à 1000 inwoners.
In 1846 werd voor het malen van graan nog volledig gebruik gemaakt van wind en water. Daarna werd de stoommachine de voornaamste energiebron. In 1880 werd al een kwart van de graanmolens aangedreven door een stoomturbine. In 1935, na de elektrificatie, waren wind- en watermolens quasi uitgespeeld voor de maalderij. Wel werden ze dikwijls nog in combinatie met andere energiebronnen ingezet.
Van oudsher spelen overal ter wereld diverse graansoorten een vitale rol in de voeding en als strategische factor.
Graan kan goed vervoerd en bewaard worden, en de reservestoffen in de graankorrel hebben een hoge voedingswaarde. Maar enkel indien het graan gemalen is, kan het meel als voedsel voor mens en dier gebruikt worden.
In onze streken worden vooral gerst, tarwe, haver en rogge (nu in mindere mate) en triticale (kruising tussen tarwe en rogge) geteeld.
(terug naar boven)
WaterradDraaiend waterrad

Technische kenmerken van de Pedemolen
Graanmolen aangedreven door bovenslagrad:
de waterstroom valt bovenaan op het rad. Bij een bovenslagmolen wordt het vermogen in hoofdzaak geleverd door de zwaartekracht, ingevolge het hoogteverschil tussen het opgestuwde beekpeil en het peil van de beek stroomafwaarts van het rad. Dit hoogteverschil bedraagt hier ongeveer 4,80 m.

Het waterrad
Afmetingen: 4,02 m buitendiameter, 1,17 m breed.
Wateropvang: 40 stalen bakjes gelijkmatig verdeeld over de buitenomtrek.
Waterinhoud rad: maximaal 700 l. Waterverbruik of debiet bij het draaien van het rad: ongeveer 300 l/s.
Eigen gewicht: ongeveer 2.400 kg (zonder watervulling)

Omtreksnelheid: deze hangt af van de waterhoogte in de maalgoot, de hoogte van de maalsluis en de belasting van de wateras. Bij malen met één steenkoppel is de normale omtreksnelheid 10 omwentelingen/min., hetzij ongeveer 2m/s.
Wateras
Eikenhouten as: 46 cm doormeter, 4,61 lang, eigen gewicht ongeveer 700 kg.
Aan beide uiteinden ingewerkt staken kruis met uitstekende aspin, aan weerszijden steunend op een zogenaamde CARB-lagering (Compact Aligned Roller Bearing).
Maalgoot
Aandrijving Molenstenen
De opgestuwde beek voedt de maalgoot; bij het openen van de maalsluis worden de waterbakjes gevuld en komt het rad in beweging.
De horizontale omwentelingen van de wateras worden via twee conische tandwielen omgezet in de verticale draaiing van de maal- of koningsas.
Bij één omwenteling wateras draait de loper of bovenste molensteen:
- van het linker steenkoppel (aandrijving door klein sterrewiel): 4,7 maal
- van het rechter steenkoppel (aandrijving door groot sterrewiel): 3,7 maal.
Theoretisch vermogen
Bij 70 cm in de maalgoot: 14 Kw (= 19 pk)
(terug naar boven)

Binnenin de molen
In het molengebouw zie je 3 verdiepingen: een benedenverdieping waar er plaats is voor de zakken graan en meel, en waar ook een haverpletter en een builmolen staan. Geplette haver wordt gebruikt als voeder voor paarden en jong rundvee.
De builmolen is eigenlijk een draaiende zift waardoor het voltarwemeel kan gescheiden worden in drie fracties:
witte bloem, kortmeel of griesmeel en zemelen.
De hel
Op de benedenverdieping zie je ook nog, onderaan de molenstenen, een hele reeks gietijzeren tandwielen.
Dit raderwerk zorgt voor de overbrenging van de draaibeweging van de houten wateras naar de steenkoppels. Door de overbrenging wordt het toerental van het waterrad (15 à 20 omwentelingen per minuut) vermenigvuldigd met 4 à 5.

Het rad kan ook los draaien, zonder de stenen aan te drijven. Dat heet dan “malen voor de keizer” of “malen voor de Prins”. Om een steenas te doen draaien moet onderaan het sterrewiel ingeschakeld worden tegenover het grote aandrijvend spoorwiel. Daarvoor moet eerst het rad stilgelegd worden.
Indien nodig is het ook mogelijk om een electromotor, die apart staat, aan te zetten en te gebruiken als aandrijvijng.
Steenzonder met twee koppel maalstenen
Op het tweede niveau zie je twee steenkoppels die maalvaardig zijn en één steenkoppel dat open ligt om te kunnen zien hoe een molensteen, die tot 1000 kg weegt, er uitziet. Onze stenen hebben straalvormige groeven. De bovenste steen (loper) draait op de onderste steen die vast ligt (ligger).
Door het draaien van de steen worden de graankorrels in één beweging gesneden (door de groeven van de stenen), gemalen (tussen stenen) en afgevoerd naar de steenrand. De groeven zorgen ook voor een zekere afkoeling van het meel.
De bovenste steen draait aan 80 à 100 toeren per minuut. Het graan wordt, via een verlengstuk op de verticale as, uit de graanvergaarbak (kaar) geschud (geluid: “tok tok tok …”).
Bemerk het verschil in fijnheid tussen tarwemeel en gerstemeel.
Het derde niveau is de graanzolder. Door middel van een luirol (= katrol) worden zakken graan opgetrokken.
Het graan kan daarna via een buis in de kaar gegoten worden. Na een zeker maalvolume (40 ton of meer) moeten de groeven in de stenen gescherpt worden. Daarvoor moet de loper opgelicht en gedraaid worden. Dat gebeurt door de galg, waarvan je een exemplaar ziet op de steenzolder.
(terug naar boven)

Ons ruraal verleden
De molenaar heeft naast de eigenlijke maalinstallatie natuurlijk ook allerlei kleinere gereedschappen nodig, zoals graanschuppen, graanmaten, builtjes en zeven, en nog veel meer.
In de schuur staat de wanmolen, waarmee de boer onzuiverheden en stof uit het graan kon halen. Op de grote balans kon de molenaar de zakken graan wegen vòòr hij dit graan voor de boeren maalde. Je ziet er ook een prachtige ciderpers met bijhorende fruitmolen. De mens leeft niet van brood alleen.
Maar zuinig waren ze wel, onze voorouders. Elk stukje touw hielden ze bij voor hergebruik. In de wintermaanden werden van de vele eindjes koord waarmee de strobalen gebonden waren sterke zelen gedraaid. Het toestel voor de recyclage avant la lettre staat naast de wanmolen.
In het bijgebouwtje achter het hondenrad staat het botervat. De hond had ongeveer één uur nodig om een vat boter te karnen. Als beloning kreeg hij een schoteltje karnemelk.
Deze kleine verzameling kon opgebouwd worden dankzij de giften van verschillende erfgoedvrienden. Ook het woonhuis werd grotendeels ingericht met meubels en voorwerpen die ter beschikking gesteld werden door leden en vrienden. Van de oorspronkelijke meubilering vòòr de restauratie is alleen nog een eetkamer behouden.
(terug naar boven)

Hoe vandaag molens levend houden?
Vandaag omvat het molenbestand in Vlaanderen nog ongeveer 160 windmolens en ca. 200 watermolens. Lang niet allen molens zijn wettelijk beschermd (de Pedemolen is gelukkig wél als monument beschermd). Slechts een klein deel is nog maalvaardig, om niet te spreken van het aantal water- of windmolens die nu hun oorspronkelijke economische rol nog vervullen.
Organisaties zoals o.a. de vzw Levende Oost-Vlaamse Molens, vzw Vlaams Molenforum, … trachten de interesse voor dit industrieel en cultureel erfgoed levendig te houden. Zij ijveren niet alleen voor het herstel en het onderhoud van het molenbestand, maar trachten ook de molens nog regelmatig te laten draaien. Met het oog daarop leiden ze vrijwillige molenaars op.
Op een boogscheut van de Pedemolen kan je een levende windmolen, de Luizenmolen in Neerpede/Anderlecht bewonderen. Verder is er in Dilbeek de kinderboerderij het Neerhof.
Ook de molen van kapitein Zeppos (de Hertsboommolen) in O.L.V. Lombeek is niet ver weg. In het kleine museum van de Pedemolen zijn trouwens enkele geniale modellen te bewonderen die de vroegere molenaar te Lombeek, Henri Van Nuffel, gemaakt heeft.
(terug naar de lijst "Andere molens in het Pajottenland of in de buurt")