Logo Molenvereniging van het Pajottenland

Inhoud

 

Laatste aanpassing
7 Maart, 2014

De watermolen van Klapscheut
te Wambeek

A) Van vóór 1450 tot einde 20ste eeuw

(ingekorte versie van de tekst van H.J. Herpelinck)

B) Een stand van zaken eind 2011

(tekst van Wies De Troch)

De vroegste vermeldingen

Klapscheut behoort ongetwijfeld tot de oudste gehuchten van Wambeek. Het verwondert ons geenszins dat daar eeuwen geleden een watermolen gebouwd werd, waarvan de verste vermeldingen dateren uit het midden van de 15de eeuw.
De weilanden van den broecke van clapschetten (=Klapscheut) werden dan verhuurd voor de ene helft aan Jan Van Dale en dander deel van den broecke naest den molen aen Jan Godenoys voor iiii deniers.
Deze watermolen lag iets ten zuiden van de huidige molen: de plaats met de oorspronkelijke beekbedding is nog aanwijsbaar.
Het was een klein houten gebouw, voorzien van een houten onderslagrad. Door het kleine debiet van de Klapscheutbeek had het weinig betekenis. In de zomermaanden dienden de boeren hun graan elders te laten malen.
Om aan de behoeften van de Wambeekse bevolking te kunnen voldoen werd de beek verlegd en een ruime spaarvijver uitgegraven voor de nieuwe watermolen.

Bouw van de huidige watermolen
Volgens het inschrift in de blauwe arduinsteen van de grote stuw, werd in 1572 de nieuwe spaarvijver aangelegd en de huidige molen gebouwd. De bedding van de oude Klapscheutbeek werd omgelegd om een gemiddeld niveauverschil van 3,5 m tussen de spaarvijver en het waterrad te bekomen. Deze spaarvijver heeft een oppervlakte van 30 are en een gemiddelde diepte van 1 m.
Spijtig genoeg kunnen we het vermeende bouwjaar 1572 niet laten bevestigen door archiefstukken. Ook voor de 17e eeuw blijven we op onze honger zitten. Immers, in 1695 ging het archief, waaronder de akten en registers van wettelijke passeringen van o.m. Wambeek, in de vlammen op tijdens de Franse invallen en de bombarderighe van Brussel.
(Terug naar boven)

De opeenvolgende eigenaars & molenaars

De vroegste bekende bezitters

Vanwege de hoger aangehaalde reden (vernieling van het archief in 1695) kunnen we pas vanaf 1700 een overzicht geven van de opeen volgende eigenaars en molenaars op de Klapscheutmolen.
Bij het begin van de 18e eeuw vinden wij de molengoederen in het bezit van de familie Wambacq.
Daarna volgde de familie Van Lierde. Deze is wellicht het wijdst verspreid molenaarsgeslacht dat West-Brabant en de streek rond Aalst ooit hebben gekend.
Eind 18e, begin 19e eeuw kwam de Klapscheutmolen in het bezit van Henri Moens, een Brusselaar die tevens het Hof van Ronkenberg van het nabije Sint-Katharina-Lombeek in huur hield. In 1819 kwam de molen in het bezit van de Brusselse brouwer Albert Londoz.
Op 7 maart 1840 verkocht Albert Londoz al zijn goederen te Wambeek aan zijn ijverige molenaar Petrus Josephus De Smet.
Maria Catharina De Smet (dochter van) huwde te Wambeek op 25 mei 1859 met Petrus De Troch (afkomstig van de, nog steeds bestaande, brouwerij De Troch in Wambeek)
(Terug naar boven)

Molenaarsgeslacht De Troch

Petrus De Troch overleed in Wambeek op 18 mei 1886.
Na 1886 beleefden molenarin Maria Catharina en haar talrijke kroost trieste jaren te Wambeek. Gelukkig kon zij rekenen op de hulp van haar oudste zoon Petrus Josephus, maar later was het vooral de veel jongere Gustaaf Clement die de Klapscheutmolen tot nieuw leven bracht: in 1906 kwam hij in volle bezit van de molen.
Gustaaf De Troch werd geboren te Wambeek op 26 november 1878. Hij huwde te Schepdaal op 5 juli 1911 met Maria Pelagie Van Cauter, aldaar geboren op 4 februari 1888.
Uit het huwelijk werden vijf kinderen geboren:

Gustaaf overleed schielijk te Wambeek op 31 juli 1945.
Maria Pelagie te Wambeek op 30 november 1978.
Op 10 maart 1981 werd de erfenis uiteindelijk verdeeld onder de twee wettige ergenamen:
Joannes (Jean) De Troch, maalder;
Franciscus De Troch, landbouwhelper, ongehuwd.
Met Joannes (Jean) De Troch verscheen de laatste molenaar op de eeuwenoude watermolen van Klapscheut. Hij huwde te Wambeek op 25 september 1951 met Maria Paula Bellemans, aldaar geboren op 16 juli 1925, als dochter van Marie Justin en Catharina Van Laer. Uit het huwelijk werden 5 kinderen geboren:

Voor de tweede wereldoorlog leefde Jean De Troch hoofdzakelijk van de maalderij, maar hij hield ook een dertigtal koeien. Na de oorlog verdwenen vele kleine boeren en de grote boeren maalden hun graan zelf. Van dan af was de boerderij hoofdzaak geworden. Deze evolutie was niet tegen te houden. In 1983, in de leeftijd van 65 jaar, ging de molenaar met pensioen en viel het waterrad van de Klapscheutmolen dus stil. Twintig jaar later, op 8 mei 2003, overleed hij.
(Terug naar boven)

Bescherming

Korte tijd nadat het waterrad was stilgevallen, werden stappen ondernomen om de watermolen te laten beschermen.
Vlaams minister Johan Sauwens ondertekende op 10 juni 1992 het besluit tot bescherming van de Klapscheutmolen met de omgeving als dorpsgezicht. Het voorafgaande ontwerpbesluit was op 12 september 1991 nog ondertekend door zijn voorganger, Gemeenschapsminister Louis Watniel.
Enkele jaren later werd de bescherming uitgebreid. Vlaams minister Luc Martens ondertekende op 9 juli 1996 het besluit tot bescherming van de Klapscheutmolen en de omgeving (de spaarvijver, het verdeelwerk en de molenloop) als monument.
Deze bescherming garandeert niet enkel het behoud van de molensite, maar is ook een onvermijdelijke voorwaarde voor het bekomen van een restauratiepremie.
(Terug naar boven)

Molengegevens

De ruime spaarvijver beslaat een oppervlakte van 30 are of 3000 m2 en is gemiddeld 1 meter diep. Het watervolume kan dus berekend worden op 3000 m3 of 3 miljoen liter. Het gemiddelde verval (niveau verschil tussen de spaarvijver en de beek) bedraagt 3,5 meter. De laatste schoonmaakbeurten dateren al van 1890 en 1936. De watertoevoer is ontoereikend om een hele dag door te kunnen malen: de laatste molenaar Jean De Troch deed het doorgaans enkel in de voormiddag. In de namiddag werkte hij als landbouwer.

Het molengebouw is in baksteen opgetrokken. Verschillende formaten wijzen op opeenvolgende bouwstadia: het oudste gedeelte bestaat uit grote bakstenen (27x13x5), die vanwege hun afmeting de bijnaam “de voet van Keizer Karel” kregen. Volgens de overlevering werd het complex ooit getroffen door een brand, waarna het (gedeeltelijk) werd herbouwd. Naar de traditie werden de lange gevels witgekalkt: de watergevel werd niet gewit en de gevel aan de straatkant is sinds 1950 gecamoufleerd door het nieuwe molenhuis. Ook binnen zijn de muren gewit. Het dak (type tentdak) is belegd met blauwe pannen.

Het metalen bovenslagrad heeft een diameter van 3,6 meter, wat in de streek - voor dat radtype – relatief groot is. Het werd in 1910 vervaardigd door de firma Casteur uit Sint-Lievens-Esse voor 1400 frank, ter vervanging van het houten waterrad. Toen moest ook de eikenhouten wateras wijken voor een stalen exemplaar. Boven het waterrad kwam een plaatijzeren, bakvormige watergoot. Bij het draaien is de helft va de schoepen gevuld met water, de andere helft is leeg. Elke schoep bevat circa 30 liter water, wat het rad zowat 600 kg zwaarder maakt. Dat betekend een kracht van 8 tot 10 pk. Het rad maakt gemiddeld 10 tot 15 toeren per minuut. Nadat het water van de Klapscheutbeek het rad is gepasseerd vervolgt het zij weg onder de boerderijgebouwen door. Sinds 1983 ligt het rad stil.

Op de stalen wateras is het conisch, verticaal kamwiel gemaakt van gietijzer en met houten kammen, bevestigd. Het drijft een volledig gietijzeren wiel aan en op dezelfde as bevinden zich nog drie sterrewielen (gietijzer met beuken kammen) voor de overbrenging op de drie maalstoelen. Al deze wielen werden in 1910 tweedehands geplaatst door de bekende molenbouwer Henri Van De Velde uit Haaltert. Rond 1980 werd nog beuken kammen gestoken in het sterrewiel van het bedrijfsklare steenkoppel aan 100 frank het stuk. De overbrengingsverhouding van het molenwerk bedraagt 4,75.
Op een houten verhoog bevinden zich nog twee maalstoelen die door waterkracht werden aangedreven: één koppel voor tarwe, diameter 1,4 meter, en één koppel voor veevoeders, diameter 1,5 meter. Op het laatst werd enkel nog veevoeders gemalen.

In 1910 plaatste de genoemde molenbouwer Van De Velde een derde maalstoel, maar dat werd later vervangen door een elektrisch aangedreven koppel op een afzonderlijke ijzeren stoel. Het gaat hier steeds om kunststenen, waarbij het genoemde derde koppel werd gemaakt door Jaspers uit Aarle-Rixtel (Noord-Brabant, NL). de stenen werden tot rond 1950 gescherpt door een (vrij jong overleden) rondtrekkende scherper die ongeveer om de drie weken moest komen.

Tot 1925 moesten de klanten met de hand het meel builen en uitscheppen. In 1925 plaatste de al genoemde molenbouwer een nieuwe builmolen.
Voor het hijsen van de zakken is een luisysteem met de bekende drukrol aanwezig. Eeuwenlang maakte men daarvoor gebruik wan waterkracht, maar op het laatst gebeurde dit elektrisch: het luien gebeurde vlugger en het kon ook gebeuren als de molen niet werkte.
Verder vinden we er ook een bascule, een haverpletter en een houten en ijzeren steenkraan.

In 1929 werd een tweede molengebouw opgericht. Een dieselmotor van 258 pk dreef er twee koppels maalstenen aan, elk met een diameter van 1,4 m (voerderstenen en tarwestenen). Er was ook een tarwebreker en vele andere toestellen. De overbrenging gebeurde er via een indrukwekkende hoeveelheid drijfriemen. Tijdens de tweede wereldoorlog werd in de watermolen een elektromotor geïnstalleerd.
Vrijwel alle bovengenoemde moderniseringen werden sinds 1910 uitgevoerd onder impuls van molenaar Gustaaf De Troch.
In 1954 kocht zoon Jean De Troch nog een cilindermolen aan om de concurrentie beter het hoofd te kunnen bieden, maar zoveel aarde bracht dat niet meer aan de dijk. In 1985 werd ook deze molen stilgelegd. Ondertussen kreeg het gebouw van de cilindermolen een nieuwe bestemming als woonhuis, bewoond door Jozef De Troch.
Nog tot 1983 werd er vooral veevoerders gemalen. Het maalloon bedroeg dan 70 centiemen de kilo voor veevoeder en 1 frank per kilogram voor tarwe. Het gewicht werd met houtskool op de zakken geschreven in gewone, Arabische cijfers. Gedurende een periode van het jaar werd ook gemalen voor de Wambeekse brouwerij De Troch, uitgebaat door familieleden van de molenaar. Voor de brouwerij moest er vrij grof gemalen worden.
(Terug naar boven)

Foto's van het begin van de opruiming

Opruimen aan de spaarvijvers

Werken aan de vijverWerken aan de vijver

------------------------------------------------------------------------

Situering: een glimp van... in een notendop

De watermolen van Klapscheut in Wambeek (deelgemeente van Ternat) was maalvaardig in bedrijf tot 1983, jaar waarop Jean (Joannes) De Troch, de laatste economisch bedrijvige molenaar, met pensioen ging. Na 1983 werd enkel nog, in afnemende mate, met een elektrisch aangedreven steenkoppel en met een graanbreker gewerkt.

Bij Ministerieel Besluit van 10 juni 1992 werd de Klapscheutmolen erkend als monument; bij Ministerieel Besluit van 9 juli 1996 is de bescherming uitgebreid met de spaarvijver, het verdeelwerk en de molenloop van de watermolen.

Joannes De Troch overleed in 2003.

Van 1998 tot 2007 werd binnen de familie onderhandeld over de verdeling van de onroerende goederen (gronden en gebouwen). De definitieve verdelingsplannen waren in juli 2009 klaar en op 19 januari 2010 konden uiteindelijk de schenkingsakte (schenking door mevrouw Paula Bellemans, echtgenote van Joannes, aan de 5 kinderen) en de verdelingsakte verleden worden. Sedert die dag is  Aloïs (Wies) De Troch, oudste zoon van Joannes, eigenaar van de Klapscheutmolen.
(Terug naar boven>

De watermolen

De watermolen bestaat structureel uit 2 hoofdelementen:

  1. het opslag- en verdeelwerk van het water: de spaarvijver, de toevoerbeek of bovenbeek (Keurebeek) met waterval, de maalgoot en het waterrad (bovenslagrad);
  2. het molengebouw met de maalinstallatie, de graanzolder en het molenhuisgedeelte (geen woonbestemming).

Noodzakelijk herstel

Prioritaire uit te voeren onderhouds- en herstelwerken zijn nodig aan de oevermuren van de Keurebeek, de steunmuren van de waterval, de stenen maalgoot, de metalen maalgoot, het waterrad, de sluiswerken respectievelijk tussen de vijver en de beek, op de bovenbeek en op de maalgoot en het opnieuw vrij maken van de afvoer onder de gebouwen onmiddellijk stroomafwaarts van het rad.
(Terug naar boven>

Wat moet er hersteld worden

De oevermuren van de Keurebeek

Sluismechanisme

In 2008 en 2010 werden de oevermuren van de Keurebeek (1), voor wat het niet privé-gedeelte betreft en over een lengte van de beek aanpalend aan de spaarvijver, door de provinciale dienst onbevaarbare waterlopen verstevigd met houten heipalen en natuurstenen.

De bestaande oevermuren van de bovenbeek, ter hoogte van het verdeelwerk naar de watermolen worden door het provinciebestuur echter beschouwd als privé-infrastructuur en moeten bijgevolg door de eigenaar van de watermolen onderhouden en/of hersteld worden.
Het behoud en herstel van deze muren is van essentieel belang, om volgende redenen:

  1. de muren geven de nodige structuur en stabiliteit aan de verbinding tussen de beek en de spaarvijver, alsook aan de verbinding tussen de beek en de maalgoot. Bovendien moeten zowel de bedding (beekvloer) als de oevers verhard en verstevigd zijn om erosie tegen te gaan die veroorzaakt zou worden door de versnellende stroming onder invloed van de waterval;
  2. de muren moeten de aarden dam steunen tussen de beek en de spaarvijver en tevens beletten dat beekwater doorsijpelt of afstroomt naar de moestuin en het lager gelegen molengebouw. 

Beide muren, vooral de muur aan de kant van de spaarvijver, zijn de laatste jaren erg bouwvallig geworden. Herstel van het metselwerk is dan ook dringend noodzakelijk. Uiteraard zal voor dit herstel in de grootst mogelijke mate het authentieke karakter van de muren gerespecteerd worden. De uit de muren gevallen grote natuurstenen en bakstenen zullen zoveel mogelijk gerecupereerd worden. Vanzelfsprekend zal ook de binnenkern van de muren duurzaam verstevigd moeten worden volgens de regels van de waterbouwkunde.
(Terug naar boven>

De waterval

Spuisluis

De waterval doet dienst als overloop van de bovenbeek, die wordt opgestuwd ten behoeve van de voeding naar de maalgoot. Het hoogteverschil tussen boven- en benedenbeek, dit is de verticale hoogte van de waterval, is uiteraard noodzakelijk om het beekwater via de maalgoot boven het rad te leiden.

De steunmuren van de val, die zowel de valbedding en de bovenloop van de beek moeten  stabiliseren, zijn eveneens dringend aan onderhoud en herstel toe.

Wanneer men op het niveau van de benedenbeek naar de waterval kijkt, is de linker steunmuur de best bewaarde en minst vervallen muur. Deze muur werd immers in het begin van de jaren '70 nog grondig verbouwd en verstevigd. De rechter steunmuur, waarin ook een muur van de maalgoot verankerd is, is de meest bouwvallige.

De stenen maalgoot

De maalgoot laat de watertoevoer toe vanuit de bovenbeek naar het bovenslagwaterrad. De bedding wordt gevormd door brede bakstenen muren over een lengte van ongeveer 10 m. De bakstenen maalgoot gaat over in een metalen goot van ongeveer 4 m lang, die uitgeeft boven het rad.

Indien men vanaf de vijver op de maalgoot kijkt in de richting van het rad, is de rechter muur van de maalgoot de hoogste. Deze muur wordt met 3 metalen ankers verstevigd, ankers die onder de maalgootbedding door verbonden zijn met de verankering van de linker muur. Op foto nr. 4 is te zien hoe de buitenkant van de rechter maalgootmuur over de hele hoogte en lengte vervallen is.

Het herstelwerk zal bestaan uit een stabilisering (verticaal en lateraal) van de kern van beide muren, evenals een heropbouw van de buiten- en bovenzijden van beide muren volgens de authentieke structuur en in baksteen (natuurstenen bovenlaag). Vanzelfsprekend moet de binnenkant van de maalgoot zodanig hersteld worden dat waterdoorsijpeling uitgesloten is.
(Terug naar boven>

De metalen maalgoot

De maalgoot is doorgeroest en zal vervangen moeten worden.

Waterrad

Het waterrad

Het plaatstalen bovenslagrad, nieuw geplaatst in 1910, is wat de platen en de schoepen betreft volledig doorgeroest. Ook de lager aan de buitenkant zal vervangen moeten worden.

De metalen as, de spaken en de velgen zullen hergebruikt kunnen worden.

De afvoerbuis voorbij het waterrad

Onmiddellijk stroomafwaarts het rad stroomt het water, over een afstand van 35 à 40 m, in een betonnen buis onder de boerderijgebouwen door. Deze afvoerbuis mondt uit in de benedenbeek, echter op een plaats waar ook deze door een buis stroomt.

Aangezien er gedurende bijna 30 jaar geen stroming door de afvoerbuis van het rad meer was, enkel stilstaand (verontreinigd) water, zal het ontstoppen van deze afvoer wellicht onvermijdelijk zijn.
(Terug naar boven>

Betoelaging van de werken

In oktober 2010 werd bij de Vlaamse Overheid een aanvraagdossier ingediend voor fase 1 van de herstel- en onderhoudswerken. Het betreft de muren van de bovenbeek, de steunmuren van de waterval, de verschillende sluizen en de afvoerbuis voorbij het rad. Deze aanvraag werd goedgekeurd en het bedrag van de eerste onderhoudspremie is eveneens toegekend. Om in aanmerking te komen zouden de werken uitgevoerd moeten zijn ten laatste op 31 maart 2013.

De tweede fase omvat de stenen maalgoot en de metalen maalgoot, het waterrad en een steenkoppel.
Hiervoor werd in april 2011 een premieaanvraag ingediend.

Voor deze fase heeft de betrokken administratie eveneens een positief advies gegeven. Het is nu nog wachten op de toekenning van de premie.

Idealiter moet de uitvoering van fase 2 onmiddellijk aansluiten op fase 1.

De aannemer is molenmaker Eric Vanleene. Volgens zijn planning zullen de werken aanvangen in het voorjaar 2012. (Terug naar boven>

(1)De Keurebeek is een waterloop van 2de categorie, zijbeek van de Bellebeek (Denderbekken)